What should design do?

De ontwerper van vandaag de dag is maatschappelijk geëngageerd en veel vormgeving draait tegenwoordig om sociale inclusiviteit en duurzaamheid. Een essay van Fritzi Ponse.

Design is de blik geworden waarmee de wereld wordt geduid, niet alleen geïnternaliseerd door de ontwerper, maar ook door cultuur in brede zin. Deze blik creëert een ervaring van maatschappelijke betrokkenheid, maar de vraag is in hoeverre deze ervaring leidt tot daadwerkelijke maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De ontwerper van vandaag de dag is maatschappelijk geëngageerd en veel vormgeving draait tegenwoordig om sociale inclusiviteit en duurzaamheid. Design is de blik geworden waarmee de wereld wordt geduid, niet alleen geïnternaliseerd door de ontwerper, maar ook door cultuur in brede zin. Deze blik creëert een ervaring van maatschappelijke betrokkenheid, maar de vraag is in hoeverre deze ervaring leidt tot daadwerkelijke maatschappelijke verantwoordelijkheid.

In de selectie van Dream Out Loud geven drie ontwikkelingen uiting aan het huidige designerengagement. Ten eerst is er de ontwikkeling van een groot materiaal en technologisch bewustzijn, zichtbaar in het werk van onder anderen Formafantasma, Dirk Vander Kooij en Bart Hess. Ten tweede wordt het gebruik van grote woorden en pogingen om complexe problemen te duiden en op te lossen niet geschuwd door bijvoorbeeld Next Nature Network en Agi Haines. Tot slot verbeelden de werken van onder andere Jesse Howard en We Make Carpets de pathologische, fetisjistische verhouding tussen mensen en spullen. Hoewel het maatschappelijke engagement van de ontwerper a priori een goed uitgangspunt is, valt mij het spanningsveld op tussen de ‘hoevraag’ en de ‘waaromvraag’ dat vaak opduikt in (social) design. Soms wordt het bewust opgezocht, maar vaak lijkt het een onbedoelde bijkomstigheid. Dit spanningsveld leidt tot een interessante, maar ook problematische positie van design in het huidige tijdsgewricht. Het risico is namelijk dat de ontwerper en de gebruiker de indruk krijgen dat ze goed bezig zijn. We kunnen ons afvragen of design op deze manier niet als een soort designerdrug de illusie schept complexe problemen in de wereld te kunnen tackelen.

‘Het is verleidelijk geobsedeerd te raken door het materiaal en technologisch bewustzijn vanwege de uitbuiting van de “hoevraag”. Hoe kan het materiaal iets gaan doen wat het eerst niet kon, en hoe kunnen we verhoeden dat het datgene doet wat het normaal gesproken doet?’

We leven in een tijd waarin de ontwikkeling van nieuwe materialen en nieuwe toepassingen daarvan zich razendsnel voltrekt. Reyner Banham beschreef hoe industriële materialen, ontwikkeld in ‘the first machine age’ een nieuwe materiële cultuur voortbracht die verweven was met standaardisatie en massaproductie. Vanuit hedendaagse materiële ontwikkelingen wordt de ‘second machine age’ tastbaar, van de belofte van hybride organen tot databehang. Omdat er zoveel te onderzoeken en te ontdekken valt, ook vanwege het belang van de herwaardering van bestaande materialen zoals plastic, is het niet verwonderlijk dat materiaal en visueel onderzoek in veel designprojecten de overhand krijgt. De vraag waaróm je iets ontwerpt dreigt echter in de schaduw te komen staan van de innovatiedrang die een nieuwe materiële cultuur met zich meebrengt, hoe goedbedoeld deze ook mag zijn. Het is verleidelijk geobsedeerd te raken door het materiaal en technologisch bewustzijn vanwege de uitbuiting van de ‘hoevraag’. Hoe kan het materiaal iets gaan doen wat het eerst niet kon, en hoe kunnen we verhoeden dat het datgene doet wat het normaal gesproken doet? Zulke vragen leiden vaak tot het fabriceren van nieuwe machines, zoals bijvoorbeeld de door Dirk Vander Kooij ontwikkelde robotarm. Het ontwikkelen kan zo belangrijker worden dan het designobject zelf.

Design, gechaperonneerd door technologische en economische innovatie (dat maakt het TED de ultieme designerdrug), is verworden tot de blik om allerhande complexe situaties te duiden: ‘What Design Can Do for Refugees’, ‘What Design Can Do for Europe’, ‘What Design Can Do for food’, ‘… for music’, ‘… for you’, en ga zo maar door. Wat kan de ontwerper en wat kan design precies doen eigenlijk? Design is bij uitstek onderzoekend, probleemoplossend, signalerend en speculerend. Maar van de retoriek van hedendaags design krijg ik het soms benauwd: bijvoorbeeld wanneer ik een e-mail krijg met als onderwerp ‘I want it and so do you’, afkomstig van de organisator van What Design Can Do. De designer komt wel heel dichtbij.

Design zit wat dat betreft in een lastige positie: het probeert uiteenlopende maatschappelijke en sociale problemen op te lossen, maar komt tegelijkertijd voort uit het systeem dat deze problemen veroorzaakt. The Ocean Cleanup, de Fairphone en ECOnnect onderzoeken respectievelijk oplossingen voor het plasticsoepprobleem, de ecologische en sociaaleconomische problemen die de smartphone industrie veroorzaken en de problematiek rondom huisvesting die armoede en verstedelijking met zich meebrengen. Deze projecten zijn hedendaagse voorbeelden van Victor Papaneks ‘design for the real world’-filosofie. De individuele expressiedrang en het in zichzelf gekeerde materiaalonderzoek zijn afwezig, of in ieder geval ondergeschikt aan pragmatische, ethische en systeemvragen. Vanwege de dialectiek van het huidige mondiale marktsysteem, die de boventoon voert zolang we nog in een kunstmatige schaarste-economie leven die een chronische behoefte aan groei stimuleert, leggen deze projecten de mechanismen van dit systeem bloot. Nee, The Ocean Cleanup pakt het plasticprobleem niet bij de bron aan, maar legt daarmee wel precies de vinger op de zere plek. Nee, door de Fairphone zullen we niet minder verlangen naar een smartphone, maar het confronteert ons wel met inhumane distributiesystemen. Nee, misschien los je het armoedeprobleem niet op met digitaal gefabriceerde huizen die je in 25 minuten opbouwt, maar de verstrekkende gevolgen van een toenemende inkomens- en opleidingskloof komen wel aan het licht.

Dat de ontwerper bepaalde mechanismen van het marktsysteem ook direct kan bevragen, bewijzen de activistische projecten van Elisa van Joolen. Dat we naar meer en nieuwe kleding verlangen is onderdeel van het waardesysteem dat gekoppeld is aan kledingmerken. Toch produceert bijna elk merk dezelfde soort sweaters, van cheap tot chic. Door het verknippen en re-assembleren van verschillende soorten merken sweaters wordt het statusidioom van ‘kijk, ik draag een…’ op de schop gehaald. Met Invert Footwear toont Van Joolen het handwerk dat komt kijken bij de productie van Converse- en Nike-sneakers. De binnenstebuiten gedraaide gympen waarvan zij de zolen vervangt door goedkope teenslipperzolen verbeelden zowel esthetisch als inhoudelijk een belangrijke opdracht: als we naar een duurzame en inclusieve maatschappij willen, dan moeten we onze productie- en distributiesystemen binnenstebuiten keren.

We Make Carpets laat de ‘spullificatie’ van de wereld zien met hun tapijten van alledaagse dingetjes zoals paperclips, papieren feestparapluutjes en satéprikkers. In opperste concentratie – die niet onderdoet aan die van Boeddhistische monniken die mandala’s van gekleurd zand maken, korrel voor korrel om die vervolgens na voltooiing weer met één beweging uit te vegen – ontvouwen zich onder de knieën van de drie makers tijdelijke werelden van kleuren en vormen. De volharding die schuil gaat in deze tapijten is betoverend; het brengt de fetisjistische, haast mystieke verhouding tussen de mens en de materiële cultuur aan het licht. Net zoals de monniken de mandala uitvegen om zich de leegte van alles gewaar te worden, nodigen deze tapijten uit te contempleren over een leven vol spullen, als een ultiem ontworpen meditatie. In het verlengde hiervan doet design precies waar we allemaal naar hunkeren: het tracht op alle niveaus orde aan te brengen in een wereld die uitermate gefragmenteerd is. De borduurtafel van Floor Nijdeken zorgt er als ‘social machine’ voor dat we uit onze privacybubbel stappen, elkaar weer in levende lijve ontmoeten en positieve herinneringen opbouwen. De lichtsculptuur Chain Reaction van Studio Stallinga helpt je het mysterie van het leven te omarmen en te beseffen dat tijd relatief is. In een wereld waarin iedereen (inclusief de planeet zelf) lijdt op duizend en één verschillende manieren, en waarin we voortdurend geconfronteerd worden met ons eigen lijden en dat van anderen, is de ontwerper opgestaan als een soort zelfhulpgoeroe.

Is de ontworpen wereld dan zo groot en autonoom geworden dat we haar maar beter als een natuurlijk en dynamisch systeem kunnen ervaren? De technotoop als hedendaags natuurpark. Als het aan Next Nature Network ligt omarmen we een nieuw wereldbeeld, want ‘Als een vogeltje een nestje bouwt noemen we dat natuur, maar als de mens een snelwegen netwerk bouwt is dat niet iets fundamenteel anders, behalve dat onze impact veel groter is dan van het vogeltje.’ Het is een prikkelend idee om de klassieke scheiding tussen de natuurlijke wereld en de door de mens gecreëerde wereld op te heffen en daarmee ook het verlangen naar een vervlogen paradijs los te laten. Het zou ons misschien helpen een zinnigere discussie te voeren over voedsel in plaats van ons te laten verblinden door de collectieve paniek omtrent gezond eten en bij voorbaat verdachte E-nummers. Maar we moeten niet uit het oog verliezen dat design een inherent onderdeel is van de productieketen en daarmee van de economische organisatie die inderdaad een veel grotere impact heeft dan een vogelnestje.

De jonge ontwerper-criticus Sander Manse schrijft in ‘Het Dunne Designwoordenboek’ dat het vocabulaire van de ontwerper ‘schraal en beperkt is.’ Hij doelt hiermee op het ontbreken van ‘Woorden voor de motieven waarmee (of waarom) de ontwerper aan het werk gaat, vóór de computer wordt opgestart, er een lijn op papier is gezet of een vinger de klei heeft aangeraakt.’ Hij heeft een punt. Wil de designer echt bijdragen aan de oplossing van complexe problemen, dan heeft hij de woorden – en dus om te beginnen de gedachtegang – nodig om inhoudelijke invulling te geven aan zijn duidende blik. Want anders draagt design, ook al heeft het de pretentie maatschappelijk geëngageerd te zijn, vooral bij aan een simplificering, ‘sloganeering’ en ‘spullenficatie’ van de maatschappij.

Hoe kan design een diepgaander geëngageerd verhaal vertellen en kan design dat überhaupt? Of is design een vorm van censureren, zoals Metahaven stelt: ‘door het één te ontwerpen, sluit je het andere uit’. Nu engagement steeds meer een ontworpen ervaring wordt, bestaat het risico van versimpeling van complexe problemen en van passieve betrokkenheid. Zoals Benjamin Bratton treffend formuleert: ‘We need to talk more about design as “immunisation”, actively preventing certain potential “innovations” that we do not want from happening.’ We hebben niet alleen behoefte aan de dromen van ontwerpers, die als prachtige hallucinaties in onze geest verschijnen, maar ook aan actieve betrokkenheid en onderbouwing. Want de duidende blik van ontwerpers zit vol potentie, om dingen te verbeteren en als middel om dingen te voorkomen. Kies je kant.

  1. Zie voor een beschrijving en uiteenzetting van dit begrip The Second Machine Age: Work, Progress, and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies (2014) van Erik Brynjolfsson and Andrew McAfee.

  2. Deze slogans sieren de posters van de conferentie What Design Can Do die jaarlijks in Amsterdam plaatsvindt.

  3. Website Next Nature Network, ‘De mens staat niet buiten de natuur. We zijn er onderdeel van’, in: ‘Onze visie: wat we vinden’, 12 juni 2016, op nextnature.net/nl/filosofie/

  4. Sander Manse,‘Het Dunne Designwoordenboek’ in Timo de Rijk et al. (red.), Dutch Design Jaarboek 2015. Rotterdam: nai010, 2015, p. 24.

  5. James Chae, ‘Hi-res censorship: Metahaven on Edward Snowden and rebranding WikiLeaks’, (december 2013), 17 juni 2016.

  6. Benjamin Bratton, ‘We need to talk about TED’ (december 2013), 9 juni 2016.