Dream Out Loud! Designing for tomorrow’s demands

Een inleiding op de tentoonstelling Dream Out Loud in het Stedelijk Museum, door conservator Lennart Booij.

Is Dutch Design voorspelbaar geworden? Van nuchter en relativerend naar een komisch kunstje zonder diepgang? Onlangs beantwoordde criticus Ebele Wybenga deze vragen met een stellig ‘ja’ in NRC Handelsblad: ‘Het recept voor Dutch Design is niet zo ingewikkeld. Neem een alledaags voorwerp en voer het uit in onverwacht luxe materiaal (die tuinspade van Studio Job in glanzend brons). Geef een prestigeobject met opzet imperfecties mee (de beroemde Smoke Chair van Maarten Baas, het B-set-servies van Hella Jongerius). En probeer de decoratie van je product op een verrassende manier samen te smelten met de functionaliteit (de ‘domoor’-beker met olifantenoren van Richard Hutten). We hebben er jarenlang om kunnen lachen, maar nu is het tijd voor een waardig afscheid van de humor in Dutch Design.’

Hella Jongerius, Founding Mother van het Dutch Design, zag vorig jaar zelf ook de noodzaak om het Nederlandse ontwerp te heroverwegen. In een samen met Louise Schouwenberg geschreven manifest dat ze op de Salone del Mobile 2015 presenteerde, merkt ze op dat de ‘egocentrische ontwerpen van professionals’ zijn doorgeslagen in een zoektocht naar een immer nieuwe en experimentele vormentaal die betekenisloos dreigt te worden. Ze is van mening dat vormgeving niet mag worden verward met kunst: ‘Goede ideeën in vormgeving vragen verdere ontwikkeling nadat ze in musea zijn gepresenteerd als aantrekkelijke gebaren. Alleen dan zullen ze betekenis toevoegen aan de wereld van dagelijkse objecten en een groter publiek bereiken.’

Ze stelt hier een nieuwe generatie van ‘design students’ tegenover die maatschappelijke problemen willen oplossen. Volgens haar moeten goede vormgevers hun experimentele inzichten daarbij trachten te koppelen aan een attractieve en voor producenten uitvoerbare vormgeving die geschikt is voor grote oplages en dagelijks gebruik.

Er is de afgelopen jaren een onmiskenbare zoektocht gaande naar nieuwe wegen voor de Nederlandse vormgeving. Zo benadrukken docenten op de Design Academy in Eindhoven het maatschappelijke belang van vormgeving en kan hogeschool ArtEZ in Arnhem bogen op een logische verbinding met kleding en mode. Ook aan de Gerrit Rietveld Academie wordt geëxperimenteerd door bijvoorbeeld autonome kunst en vormgeving met elkaar te laten versmelten en een diepgaand materiaalonderzoek te benadrukken.

Er is de afgelopen jaren een onmiskenbare zoektocht gaande naar nieuwe wegen voor de Nederlandse vormgeving

Binnen dit dynamische tijdsgewricht waarin Nederlandse vormgeving verschillende gezichten kent, wordt de tentoonstelling Dream Out Loud! georganiseerd. Het betreft een nieuwe editie van de tweejaarlijkse tentoonstelling met voorstellen tot gemeentelijke kunstaankopen die dit keer is gewijd aan vormgeving (zie kader). Grofweg 750 verschillende ontwerpen van meer dan 350 vormgevers werden ingezonden naar aanleiding van een open call. Het klassieke Dutch Design was daarbij goed vertegenwoordigd, maar opvallend was het aandeel ontwerpen die oplossingen willen bieden voor maatschappelijke problemen, alternatieven zoeken voor de huidige wegwerpcultuur of een weerbare maatschappijkritische houding voorstaan bij de ontwerper of gebruiker. Opmerkelijk veel vormgevers stellen vragen bij de bestaande maatschappelijke status quo, houden ons een spiegel voor of zoeken naar nieuwe wegen door een gedurfd toekomstbeeld te schetsen. Idealisme is niet nieuw in de vormgeving, maar er is een verschuiving zichtbaar van het esthetische naar een meer praktische en betrokken positie waarbij het object ondergeschikt is gemaakt aan het achterliggend concept of droombeeld.

Thematiek

Sombere berichten over de opwarming van de aarde door de verbranding van fossiele brandstoffen, overconsumptie, bio-industrie en uitbuiting van goedkope arbeidskrachten door multinationals wakkeren een verlangen aan naar onafhankelijkheid, zelfredzaamheid en een nieuw individueel idealisme. Richard Sennett bepleitte in 2008 in zijn boek The Craftsman vurig het belang van vakmanschap. De ervaringen van het leren, het perfectioneren en het onderhouden van een vaardigheid bieden een onafhankelijke positie en hebben een positieve invloed op de maatschappij.

In 2016 droomt een nieuwe lichting vormgevers hardop over een betere wereld en ziet daarbinnen voor zichzelf een maatschappelijke rol weggelegd

In 2016 droomt een nieuwe lichting vormgevers hardop over een betere wereld en ziet daarbinnen voor zichzelf een maatschappelijke rol weggelegd. Velen gaan daarbij verder dan Sennett en willen bijdragen aan het oplossen van grote maatschappelijke problemen. Deze ontwerpers pogen door middel van sociale interventies de wereld te verbeteren onder de noemer van social design. Victor Papanek (1923-1998), die een groot voorstander was van het sociaal en ecologisch verantwoorde ontwerp van producten, van hulpmiddelen en infrastructuren voor de gemeenschap, wordt als de grondlegger van dit denken beschouwd. Binnen de aanpak van deze nieuwe generatie vormgevers is geen plaats voor cynisme of apathie. Minder afhankelijkheid van vlees? We produceren kweekvlees zonder dierenleed. Gebruik materialen zonder olie als basis en kom terug met een schoon universum. Anderen maken werk van het eigenaarschap van de gebruiker door bijvoorbeeld kledingsamples te transformeren tot een eigen signatuur, sieraden te vormen uit bouwhelmen of overbodige cd’s om te smelten tot een stoel uit de 3D-printer.

Uit bovenstaande ideeën en oplossingen zijn vier dominante trends te ontwaren: ontwerpen die gericht zijn op fictieve maar denkbare maatschappelijke toepassingen; een nieuwe vormentaal als gevolg van nieuwe technologieën (bijvoorbeeld het gebruik van een 3D-printer); het hergebruik van grondstoffen of reststoffen en de zoektocht naar duurzame materialen; en ten slotte het terugveroveren van het eigenaarschap op de delving van grondstoffen, de productielijn en het democratisch consumentgebruik.

Kritiek

Indachtig het manifest van Jongerius en Schouwenberg is het goed om de kwalificatie van goede vormgeving te problematiseren. Een nieuwe generatie vormgevers experimenteert met de regels van het spel. Het willen ontwerpen voor de echte wereld is daarbij een dominante trend. Hoewel de jonge generatie voorbij wil gaan aan het door Jongerius bekritiseerde betekenisloze Dutch Design, kan daarbij onbedoeld een nieuwe betekenisloze experimenteerdrift gericht op het oplossen van maatschappelijke problemen ontstaan. Een gevaar waar bijvoorbeeld ook journalist Jeroen Junte op wees bij de designcompetitie ‘Refugee Challenge.’ In deze door IKEA, de UNHCR en What Design Can Do uitgeschreven prijsvraag zijn het vooral westerse vormgevers die oplossingen aanreiken voor het vluchtelingenprobleem, maar volgens Junte gaan deze makers voorbij aan de mensen om wie het gaat.

Hoogleraar Design, Culture & Society Timo de Rijk plaatste eerder stevige kanttekeningen bij de betekenis van dergelijke maatschappelijk betrokken ontwerppraktijken. In een artikel in NRC Handelsblad van 12 februari 2013 neemt hij bijvoorbeeld scherp stelling tegen de hype rondom de ‘design’-mijnenveger Mine Kafon. Deze mijnenveger zou door de continue wind op de Afghaanse vlaktes worden voort geblazen om zo landmijnen onschadelijk te maken. Het was volgens De Rijk een slecht doordacht ontwerp: ‘Laten we het duidelijk stellen: die sociale kwaliteit is slechts schijn en het ontwerp is oneerlijk en immoreel. De ontwerper van de Mine Kafon belooft meer dan hij ooit kan waarmaken. Het apparaat werkt alleen als de wind waait. Ondanks de toepassing van gps is er nog niet het begin van een verwachting dat alle mijnen in een oorlogsveldje ermee onschadelijk gemaakt zullen worden.’

Met andere woorden: door de maatschappelijke belofte neemt de ontwerper een morele verantwoordelijkheid op zich, een verplichting om iets goeds te ontwerpen, of in ieder geval ‘het begin van een verwachting’ dat het werkt. Zo niet, dan is het niet meer dan een gadget, koketterend met maatschappelijke betrokkenheid. Deze kritiek kan op veel van de nu getoonde inzendingen worden losgelaten. Zo zal de Smog Free Ring van Daan Roosegaarde, waarin opgezogen CO2-stofdeeltjes zijn verwerkt, de uitstoot van CO2 niet verminderen. En het Plastic Soup-project van Boyan Slat pakt niet de vervuiling aan, maar zuigt slechts het reeds opgehoopte plastic uit de oceaan. En de geprinte organen van Agatha Haines zijn denkbare voorstellen, maar kunnen voorlopig nog niet worden geïmplementeerd.

A Dutch Makeover

Door de maatschappelijke belofte neemt de ontwerper een morele verantwoordelijkheid op zich, een verplichting om iets goeds te ontwerpen

Toch zijn de voortekenen gunstig, want met ogenschijnlijk speels gemak treden de ontwerpers de problemen van deze tijd tegemoet in een wisselend positiespel tussen kunst, design en maatschappijkritiek. Hiermee hebben ze hun speelveld aanzienlijk vergroot en daarmee ook hun slagingskansen. Bovendien maken ze duidelijk dat hun werk bewustwording aanwakkert, het debat opent en verlegenheid veroorzaakt bij de producenten, die het bestaan van alternatieven niet meer kunnen ontkennen. De media-aandacht die hun werk genereert, is daarvan het bewijs. Bovendien worden veel ideeën onderbouwd door bestaande wetenschappelijke inzichten en nieuwe doorbraken.
Veel ontwerpers mixen bovendien alle mogelijke strategieën die bruikbaar zijn: van esthetische en meer autonome vormdrift tot social design, van materiaalonderzoek tot computertechnologie. Zo ontstaat als bijna vanzelf een nieuw vormgevingsdomein. Voor deze generatie vormgevers is de drijvende kracht niet extreme luxe, maar praktische verbetering en het vinden van nieuwe oplossingen. Deze Dutch Make over of experimental design levert soms al bruikbare toepassingen op, maar het is vooral de maatschappijkritische houding ten opzichte van het bestaande en de verbeelding die nieuwe denkrichtingen opent en zo het uitvoerbare en haalbare dichterbij brengt.

Elke twee jaar organiseert het Stedelijk Museum Amsterdam, ondersteund door de Gemeente Amsterdam, een expositie waarbij werk van jong talent en nieuwe ontwikkelingen op het terrein van de kunsten worden gesignaleerd. Door middel van het zogenaamde ‘Voorstel tot Gemeentelijke Kunstaankopen’ worden kunstenaars en vormgevers binnen een bepaald vakgebied gevraagd om recent werk in te zenden. Ze zijn uit Nederland afkomstig of er woonachtig en werkzaam. Hun inzendingen worden beoordeeld door een professionele jury, die samen met een conservator van het museum een selectie samenstelt. Deze selectie wordt op zaal getoond en vervolgens bepaalt directeur Beatrix Ruf welke werken zij voor de collectie van het museum wil aankopen.

De editie van 2016 stond in het teken van vormgeving. Meer dan 350 vormgevers zonden werk in. Van stoelen en verlichting tot sociale interventies, fictieve of zelfs alleen virtueel bestaande ontwerpen, alles kwam aan de jury voorbij. De jury bestond uit Bas van Beek (ontwerper en docent),
 Corinna Gardner (curator Contemporary Product Design, Victoria & Albert Museum), Caroline Prisse (kunstenaar, curator en directeur van Van Tetterode Glass Studio), Chris Reinewald (journalist op het gebied van vormgeving en voormalig hoofdredacteur van Items en Museumvisie) en Lennart Booij (conservator toegepaste kunst Stedelijk Museum, juryvoorzitter en samensteller van de tentoonstelling).

Het selectieproces werd in grofweg drie dagen tijd met de voltallige jury doorlopen. Na een eerste ‘blinde’ schifting op de eerste dag bleven er 250 inzendingen van ongeveer 100 ontwerpers over die de dagen daarna van nabij en diepgaand werden bekeken. Daarbij bleek met name het experimental design opvallend en was er meer kritiek op de meer l‘art pour l’art-inbreng, waarbij gebruikswaarde en maatschappelijke impact ondergeschikt waren gemaakt aan het visuele en het vaak gezochte humoristische aspect.

Dit alles resulteerde in een shortlist die vervolgens werd verfijnd op basis van atelierbezoek, overleg met de directie en collega’s. Dit heeft geleid tot de nu gepresenteerde 26 deelnemers. Deze groep vormt een actuele afspiegeling, maar is zeker niet representatief voor het totaal van de Nederlandse vormgeving als geheel. Het is met groot genoegen dat we deze ontwikkelingen in een Nederlandse context kunnen laten zien. Deze website www.dreamoutloud.stedelijk.nl fungeert hierbij als levend magazine en catalogus.

  1. Ebele Wybenga, ‘Hoe lang is Dutch Design nog grappig?’, in: NRC Handelsblad, 2 mei 2016.

  2. Eveneens uit het artikel ‘Hoe lang is Dutch Design nog grappig?’ in: NRC Handelsblad, 2 mei 2016.

  3. Hella Jongerius en Louise Schouwenberg, ‘Beyond the New

  4. Victor Papanek, Design for the real world, Londen, 1972.

  5. Zie: ingezonden artikel Jeroen Junte in de Volkskrant, 28 juni 2016: ‘Refugee Challenge is Trumpiaanse overschatting

  6. Zie: ingezonden artikel Timo de Rijk in NRC Handelsblad, 12 februari 2013: ‘Deze design-mijnenveger is levensgevaarlijk’